Het lijkt mij mooi om een Bijbeluitleg te schrijven van Genesis 1 t/m 11. Het is de geschiedenis van de wereld. Dit is zo belangrijk. Het is een fundament. Gods Woord is waar, vanaf het begin.
A. Gods Woord is waar, vanaf het begin
1 - Gods Woord is de waarheid
Heilig hen door Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.
~ Johannes 17:17
2 - Heel de Schrift is door God in gegeven
Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid,
~ 2 Timotheüs 3:16
➔ dus ook het begin
Indeling Genesis 1 - 11
I. Schepping: 1:1 - 2:3
II. Afstammelingen van de hemel en de aarde: 2:4 - 4:26
III. Afstammelingen van Adam: 5:1 - 6:8
IV. Afstammelingen van Noach: 6:9 - 9:29
V. Afstammelingen van Noachs zonen: 10:1 - 11:9
VI. Afstammelingen van Sem: 11:10-26
I. Schepping: 1:1 - 2:3
Genesis 1:1
In het begin schiep God de hemel en de aarde.
A. In het begin
B. schiep
C. God
D. de hemel
E. en de aarde.
Genesis 1:2
De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.
Genesis 1:3
En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.
Genesis 1:4
En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.
Genesis 1:5
En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.
Genesis 1:6
En God zei: Laat er een gewelf zijn in het midden van het water, en laat dat scheiding maken tussen water en water!
Genesis 1:7
En God maakte dat gewelf en maakte scheiding tussen het water dat onder het gewelf is, en het water dat boven het gewelf is. En het was zo.
Genesis 1:8
En God noemde het gewelf hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.
Genesis 1:9
En God zei: Laat het water dat onder de hemel is, in één plaats samenvloeien en laat het droge zichtbaar worden! En het was zo.
Genesis 1:10
En God noemde het droge aarde en het samengevloeide water noemde Hij zeeën; en God zag dat het goed was.
Genesis 1:11
En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas, vruchtbomen, die naar hun soort vrucht dragen, waarin hun zaad is op de aarde! En het was zo.
Genesis 1:12
En de aarde bracht groen voort, zaaddragend gewas naar zijn soort en bomen die vrucht dragen waarin hun zaad is, naar hun soort. En God zag dat het goed was.
Genesis 1:13
Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag.
Genesis 1:14
En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot tekenen, en tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!
Genesis 1:15
En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo.
Genesis 1:16
En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; en ook de sterren.
Genesis 1:17
En God plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,
Genesis 1:18
om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.
Genesis 1:19
Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag.
Genesis 1:20
En God zei: Laat het water wemelen van wemelende levende wezens; en laten er vogels boven de aarde vliegen, langs het hemelgewelf!
Genesis 1:21
En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.
Genesis 1:22
En God zegende ze en zei: Wees vruchtbaar, word talrijk, en vervul het water van de zeeën; en laten de vogels talrijk worden op de aarde!
Genesis 1:23
Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag.
Genesis 1:24
En God zei: Laat de aarde levende wezens naar hun soort voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren van de aarde, naar zijn soort! En het was zo.
Genesis 1:25
En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun soort, het vee naar hun soort, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort. En God zag dat het goed was.
Genesis 1:26
En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!
Genesis 1:27
En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.
Genesis 1:28
En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!
Genesis 1:29
En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen.
Genesis 1:30
Maar aan al de dieren van de aarde, aan alle vogels in de lucht en aan al wat over de aarde kruipt, waarin leven is, heb Ik al het groene gewas tot voedsel gegeven. En het was zo.
Genesis 1:31
En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.
Genesis 2:1
Zo zijn de hemel en de aarde voltooid, en heel hun legermacht.
Genesis 2:2
Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.
Genesis 2:3
En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.
II. Afstammelingen van de hemel en de aarde: 2:4 - 4:26
Genesis 2:4
Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam, toen zij geschapen werden. Op de dag dat de HEERE God aarde en hemel maakte —
Genesis 2:5
er was nog geen enkele veldstruik op de aarde en er was nog geen enkel veldgewas opgekomen, want de HEERE God had het niet laten regenen op de aarde; en er was geen mens om de aardbodem te bewerken,
Genesis 2:6
maar een damp steeg uit de aarde op en bevochtigde heel de aardbodem —
Genesis 2:7
toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.
Genesis 2:8
Ook plantte de HEERE God een hof in Eden, in het oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij gevormd had.
Genesis 2:9
En de HEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook de boom des levens, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.
Genesis 2:10
Een rivier kwam voort uit Eden om de hof te bevochtigen. En vandaar splitste hij zich en vormde vier hoofdstromen.
Genesis 2:11
De naam van de eerste rivier is Pison; die is het die rond heel het land van Havila stroomt, waar het goud is.
Genesis 2:12
En het goud van dit land is goed; ook is er balsemhars en de edelsteen onyx.
Genesis 2:13
En de naam van de tweede rivier is Gihon; die is het die rond heel het land Cusj stroomt.
Genesis 2:14
En de naam van de derde rivier is Tigris; die loopt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.
Genesis 2:15
De HEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van Eden om die te bewerken en te onderhouden.
Genesis 2:16
En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten,
Genesis 2:17
maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.
Genesis 2:18
Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.
Genesis 2:19
De HEERE God vormde uit de aardbodem alle dieren van het veld en alle vogels in de lucht, en bracht die bij Adam om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam zijn.
Genesis 2:20
Zo gaf Adam namen aan al het vee en aan de vogels in de lucht en aan alle dieren van het veld; maar voor de mens vond hij geen hulp als iemand tegenover hem.
Genesis 2:21
Toen liet de HEERE God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats ervan toe met vlees.
Genesis 2:22
En de HEERE God bouwde de rib die Hij uit Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar bij Adam.
Genesis 2:23
Toen zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn beenderen, en vlees van mijn vlees! Deze zal mannin genoemd worden, want uit de man is zij genomen.
Genesis 2:24
Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.
Genesis 2:25
En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw, maar zij schaamden zich niet.
Genesis 3:1
De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld, die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?
Genesis 3:2
En de vrouw zei tegen de slang: Van de vrucht van de bomen in de hof mogen wij eten,
Genesis 3:3
maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten en hem niet aanraken, anders sterft u.
Genesis 3:4
Toen zei de slang tegen de vrouw: U zult zeker niet sterven.
Genesis 3:5
Maar God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en dat u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.
Genesis 3:6
En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en hij at ervan.
Genesis 3:7
Toen werden de ogen van beiden geopend en zij merkten dat zij naakt waren. Zij vlochten vijgenbladeren samen en maakten voor zichzelf schorten.
Genesis 3:8
En zij hoorden de stem van de HEERE God, Die in de hof wandelde, bij de wind in de namiddag. Toen verborgen Adam en zijn vrouw zich voor het aangezicht van de HEERE God te midden van de bomen in de hof.
Genesis 3:9
En de HEERE God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?
Genesis 3:10
En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof en ik werd bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.
Genesis 3:11
En Hij zei: Wie heeft u verteld dat u naakt bent? Hebt u van die boom gegeten waarvan Ik u geboden had daar niet van te eten?
Genesis 3:12
Toen zei Adam: De vrouw die U gaf om bij mij te zijn, die heeft mij van die boom gegeven en ik heb ervan gegeten.
Genesis 3:13
En de HEERE God zei tegen de vrouw: Wat hebt u daar gedaan! En de vrouw zei: De slang heeft mij bedrogen en ik heb ervan gegeten.
Genesis 3:14
Toen zei de HEERE God tegen de slang: Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt onder al het vee en onder alle dieren van het veld! Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven.
Genesis 3:15
En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen.
Genesis 3:16
Tegen de vrouw zei Hij: Ik zal uw moeite in uw zwangerschap zeer groot maken; met pijn zult u kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, maar hij zal over u heersen.
Genesis 3:17
En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten, is de aardbodem omwille van u vervloekt; met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven;
Genesis 3:18
dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten.
Genesis 3:19
In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren.
Genesis 3:20
En Adam gaf zijn vrouw de naam Eva, omdat zij moeder van alle levenden is.
Genesis 3:21
En de HEERE God maakte voor Adam en voor zijn vrouw kleren van huiden en kleedde hen daarmee.
Genesis 3:22
Toen zei de HEERE God: Zie, de mens is geworden als één van Ons, omdat hij goed en kwaad kent. Nu dan, laat hij zijn hand niet uitsteken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij eeuwig zou leven!
Genesis 3:23
Daarom zond de HEERE God hem weg uit de hof van Eden, om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was.
Genesis 3:24
Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.
Genesis 4:1
En Adam had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van de HEERE gekregen!
Genesis 4:2
En zij baarde opnieuw: zijn broer Abel. Abel werd herder van kleinvee en Kaïn werd bewerker van de aardbodem.
Genesis 4:3
En het gebeurde na verloop van dagen dat Kaïn van de opbrengst van de aardbodem aan de HEERE een offer bracht.
Genesis 4:4
Ook Abel bracht een offer, van de eerstgeborenen van zijn kleinvee en van hun vet. De HEERE nu sloeg acht op Abel en op zijn offer,
Genesis 4:5
maar op Kaïn en op zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen ontstak Kaïn in grote woede en liet hij zijn hoofd zakken.
Genesis 4:6
En de HEERE zei tegen Kaïn: Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken?
Genesis 4:7
Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.
Genesis 4:8
En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde, toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel en hem doodde.
Genesis 4:9
En de HEERE zei tegen Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet het niet; ben ik de hoeder van mijn broer?
Genesis 4:10
En Hij zei: Wat hebt u gedaan! Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.
Genesis 4:11
Nu dan, u bent vervloekt, weg van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan om het bloed van uw broer uit uw hand op te nemen.
Genesis 4:12
Als u de aardbodem bewerkt, zal die u zijn volle opbrengst niet meer geven; u zult dolend en dwalend over de aarde gaan.
Genesis 4:13
En Kaïn zei tegen de HEERE: Mijn misdaad is te groot om vergeven te worden.
Genesis 4:14
Zie, U verdrijft mij heden van het aangezicht van de aardbodem en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn en dolend en dwalend over de aarde gaan; en het zal zo zijn dat al wie mij tegenkomt, mij zal doden.
Genesis 4:15
Maar de HEERE zei tegen hem: Daarom zal al wie Kaïn doodt zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE merkte Kaïn met een teken, zodat niemand die hem tegenkwam, hem zou doden.
Genesis 4:16
Toen ging Kaïn weg van het aangezicht van de HEERE; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.
Genesis 4:17
En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Henoch. Kaïn was een stad aan het bouwen, en hij noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch.
Genesis 4:18
En bij Henoch werd Hirad geboren; en Hirad verwekte Mechujaël; en Mechujaël verwekte Methusaël; en Methusaël verwekte Lamech.
Genesis 4:19
Lamech nam voor zichzelf twee vrouwen; de naam van de ene was Ada, en de naam van de andere Zilla.
Genesis 4:20
Ada baarde Jabal; die werd de vader van wie tenten bewonen en vee houden.
Genesis 4:21
En de naam van zijn broer was Jubal. Deze werd de vader van allen die harp en fluit kunnen bespelen.
Genesis 4:22
Ook Zilla baarde: Tubal Kaïn, een smid, vader van alle koper- en ijzerbewerkers; en de zuster van Tubal Kaïn was Naëma.
Genesis 4:23
En Lamech zei tegen zijn vrouwen: Ada en Zilla, luister naar mijn stem, vrouwen van Lamech, hoor mijn woorden aan: Voorzeker! Ik doodde een man om mijn wond en een jongen om mijn striem!
Genesis 4:24
Want Kaïn wordt zevenvoudig gewroken, maar Lamech zeventig maal zevenmaal.
Genesis 4:25
En Adam had opnieuw gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon, en zij gaf hem de naam Seth. Want, zei ze, God heeft mij ander nageslacht gegeven in de plaats van Abel; Kaïn heeft hem immers gedood.
Genesis 4:26
En ook bij Seth werd een zoon geboren, en hij gaf hem de naam Enos. Toen begon men de Naam van de HEERE aan te roepen.
III. Afstammelingen van Adam: 5:1 - 6:8
Genesis 5:1
Dit is het boek van de afstammelingen van Adam. Op de dag dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis van God.
Genesis 5:2
Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen, en Hij zegende hen en gaf hun de naam mens, op de dag dat ze geschapen werden.
Genesis 5:3
Adam leefde honderddertig jaar, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn beeld; en hij gaf hem de naam Seth.
Genesis 5:4
Adams dagen waren, nadat hij Seth verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 5:5
Al de dagen dat Adam leefde, waren negenhonderddertig jaar; en hij stierf.
Genesis 5:6
Seth leefde honderdvijf jaar, en verwekte Enos.
Genesis 5:7
En Seth leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderdzeven jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 5:8
Al de dagen van Seth waren negenhonderdtwaalf jaar; en hij stierf.
Genesis 5:9
Enos leefde negentig jaar, en verwekte Kenan.
Genesis 5:10
En Enos leefde, nadat hij Kenan verwekt had, achthonderdvijftien jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 5:11
Al de dagen van Enos waren negenhonderdvijf jaar; en hij stierf.
Genesis 5:12
Kenan leefde zeventig jaar, en verwekte Mahalaleël.
Genesis 5:13
En Kenan leefde, nadat hij Mahalaleël verwekt had, achthonderdveertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 5:14
Al de dagen van Kenan waren negenhonderdtien jaar; en hij stierf.
Genesis 5:15
Mahalaleël leefde vijfenzestig jaar, en verwekte Jered.
Genesis 5:16
En Mahalaleël leefde, nadat hij Jered verwekt had, achthonderddertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 5:17
Al de dagen van Mahalaleël waren achthonderdvijfennegentig jaar; en hij stierf.
Genesis 5:18
Jered leefde honderdtweeënzestig jaar, en verwekte Henoch.
Genesis 5:19
En Jered leefde, nadat hij Henoch verwekt had, achthonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 5:20
Al de dagen van Jered waren negenhonderdtweeënzestig jaar; en hij stierf.
Genesis 5:21
Henoch leefde vijfenzestig jaar, en verwekte Methusalach.
Genesis 5:22
En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach verwekt had, driehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 5:23
Al de dagen van Henoch waren driehonderdvijfenzestig jaar.
Genesis 5:24
Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God nam hem weg.
Genesis 5:25
Methusalach leefde honderdzevenentachtig jaar, en verwekte Lamech.
Genesis 5:26
En Methusalach leefde, nadat hij Lamech verwekt had, zevenhonderdtweeëntachtig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 5:27
Al de dagen van Methusalach waren negenhonderdnegenenzestig jaar; en hij stierf.
Genesis 5:28
Lamech leefde honderdtweeëntachtig jaar, en verwekte een zoon.
Genesis 5:29
En hij gaf hem de naam Noach, en zei: Deze zal ons troosten over ons werk en over het zwoegen van onze handen, vanwege de aardbodem, die door de HEERE vervloekt is.
Genesis 5:30
En Lamech leefde, nadat hij Noach verwekt had, vijfhonderdvijfennegentig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 5:31
Al de dagen van Lamech waren zevenhonderdzevenenzeventig jaar; en hij stierf.
Genesis 5:32
Toen Noach vijfhonderd jaar oud was, verwekte Noach Sem, Cham en Jafeth.
Genesis 6:1
En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden,
Genesis 6:2
dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden.
Genesis 6:3
Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.
Genesis 6:4
In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die kinderen voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam.
Genesis 6:5
En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.
Genesis 6:6
Toen kreeg de HEERE er berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart.
Genesis 6:7
En de HEERE zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, van de aardbodem verdelgen, van de mens tot het vee, tot de kruipende dieren en tot de vogels in de lucht toe, want Ik heb er berouw over dat Ik hen gemaakt heb.
Genesis 6:8
Maar Noach vond genade in de ogen van de HEERE.
IV. Afstammelingen van Noach: 6:9 - 9:29
Genesis 6:9
Dit zijn de afstammelingen van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man onder zijn tijdgenoten. Noach wandelde met God.
Genesis 6:10
En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
Genesis 6:11
Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld.
Genesis 6:12
Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want alle vlees had een verdorven levenswandel op de aarde.
Genesis 6:13
Daarom zei God tegen Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen, want de aarde is door hen vervuld met geweld; en zie, Ik ga hen met de aarde te gronde richten.
Genesis 6:14
Maak voor uzelf een ark van goferhout. In vakken ingedeeld moet u deze ark maken en hem vanbinnen en vanbuiten met pek bestrijken.
Genesis 6:15
Zo moet u hem maken: driehonderd el moet de lengte van de ark zijn, vijftig el zijn breedte en dertig el zijn hoogte.
Genesis 6:16
U moet een lichtopening in de ark maken, en de ark afwerken tot op een el van boven; en de deur van de ark moet u aan de zijkant plaatsen. U moet er een onderste, een tweede en een derde verdieping in maken.
Genesis 6:17
En Ik, zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om alle vlees waarin een levensgeest is, van onder de hemel te gronde te richten; alles wat op de aarde is, zal de geest geven.
Genesis 6:18
Maar met u zal Ik Mijn verbond maken; en u moet in de ark gaan, u, uw zonen, uw vrouw en de vrouwen van uw zonen met u.
Genesis 6:19
En u moet van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk in de ark laten komen om ze met u in leven te houden: een mannetje en een vrouwtje moeten het zijn.
Genesis 6:20
Van de vogels naar hun soort, van het vee naar zijn soort, en van de kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort, zullen er twee naar u toe komen, om ze in leven te houden.
Genesis 6:21
En u, neem voor uzelf van al het voedsel dat gegeten wordt, en verzamel dat bij u, zodat het voor u en voor hen tot voedsel zal zijn.
Genesis 6:22
En Noach deed het; overeenkomstig alles wat God hem geboden had, zo deed hij.
Genesis 7:1
Daarna zei de HEERE tegen Noach: Ga in de ark, u en heel uw gezin, want Ik heb gezien dat u te midden van uw tijdgenoten voor Mijn aangezicht rechtvaardig bent.
Genesis 7:2
U moet voor uzelf van alle reine dieren zeven paar nemen, een mannetje en zijn vrouwtje; maar van de dieren die niet rein zijn, één paar, een mannetje en zijn vrouwtje;
Genesis 7:3
ook van de vogels in de lucht zeven paar, mannelijk en vrouwelijk, om de soort op heel de aarde in leven te houden.
Genesis 7:4
Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten laten regenen; en Ik zal al wat bestaat, wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen.
Genesis 7:5
En Noach deed overeenkomstig alles wat de HEERE hem geboden had.
Genesis 7:6
Noach was zeshonderd jaar oud toen de watervloed over de aarde kwam.
Genesis 7:7
Toen ging Noach met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen met hem in de ark, vanwege het water van de vloed.
Genesis 7:8
Van de reine dieren, van de dieren die niet rein waren, van de vogels en van alles wat over de aardbodem kruipt,
Genesis 7:9
kwamen er twee aan twee naar Noach in de ark, mannelijk en vrouwelijk, zoals God aan Noach geboden had.
Genesis 7:10
En het gebeurde na die zeven dagen dat het water van de vloed over de aarde kwam.
Genesis 7:11
In het zeshonderdste levensjaar van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op die dag zijn alle bronnen van de grote watervloed opengebarsten en de sluizen van de hemel opengezet.
Genesis 7:12
En er was regen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten.
Genesis 7:13
Op diezelfde dag gingen Noach en Sem, Cham en Jafeth, de zonen van Noach, en ook Noachs vrouw en de drie vrouwen van zijn zonen met hen in de ark,
Genesis 7:14
zij, en al de wilde dieren naar hun soort, al het vee naar zijn soort, alle kruipende dieren, die over de aarde kruipen, naar hun soort, en alle vogels naar hun soort, al wat gevleugeld is.
Genesis 7:15
En van alle vlees waar een levensgeest in was, kwamen ze naar Noach in de ark, twee aan twee.
Genesis 7:16
En die kwamen, kwamen als mannelijk en vrouwelijk, van alle vlees, zoals God hem geboden had. En de HEERE sloot de deur achter hem toe.
Genesis 7:17
En de vloed was veertig dagen op de aarde, en het water nam toe en hief de ark omhoog, zodat hij van de aarde oprees.
Genesis 7:18
En het water steeg en nam sterk toe op de aarde; en de ark dreef op het water.
Genesis 7:19
Het water steeg meer en meer op de aarde, zodat alle hoge bergen die onder heel de hemel zijn, bedekt werden.
Genesis 7:20
Nog vijftien el daarboven steeg het water, en de bergen werden bedekt.
Genesis 7:21
En alle vlees dat zich op de aarde bewoog, gaf de geest: de vogels, het vee, de wilde dieren en alle kruipende dieren, die over de aarde kropen, en alle mensen.
Genesis 7:22
Alles met levensadem in zijn neusgaten van alles wat op het droge leefde, stierf.
Genesis 7:23
Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, van mens tot dier, tot kruipende dieren en vogels in de lucht; verdelgd werden zij van de aarde. Alleen Noach bleef over, en wat met hem in de ark was.
Genesis 7:24
En het water had honderdvijftig dagen lang de overhand op de aarde.
Genesis 8:1
En God dacht aan Noach en aan al de wilde dieren en al het vee dat bij hem in de ark was; en God liet wind over de aarde gaan, zodat het water bedaarde.
Genesis 8:2
Ook werden de bronnen van de watervloed en de sluizen van de hemel gesloten, en de regen uit de hemel werd gestopt.
Genesis 8:3
Vervolgens vloeide het water van boven de aarde terug, gaandeweg vloeide het terug. Na verloop van honderdvijftig dagen werd het water minder.
Genesis 8:4
En de ark bleef in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, vastzitten op het gebergte van Ararat.
Genesis 8:5
En gaandeweg werd het water minder, tot aan de tiende maand. In de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar.
Genesis 8:6
En het gebeurde na verloop van veertig dagen dat Noach het venster van de ark, dat hij gemaakt had, opendeed.
Genesis 8:7
En hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen totdat het water van boven de aarde opgedroogd was.
Genesis 8:8
Daarna liet hij een duif van bij zich los om te zien of het water op de aardbodem afgenomen was.
Genesis 8:9
Maar de duif vond geen rustplaats voor de holte van haar voet; daarom keerde zij naar hem terug in de ark, want het water stond nog boven heel de aarde. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en bracht haar bij zich in de ark.
Genesis 8:10
En hij wachtte nog eens zeven dagen; toen liet hij de duif weer los uit de ark.
Genesis 8:11
En de duif kwam naar hem toe tegen de avond; en zie, er was een afgebroken olijfblad in haar snavel; daaraan merkte Noach dat het water op de aarde afgenomen was.
Genesis 8:12
Toen wachtte hij nog eens zeven dagen. Hij liet de duif los, maar zij keerde niet meer naar hem terug.
Genesis 8:13
En het was in het zeshonderdeerste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag van die maand, dat het water van boven de aarde opgedroogd was. Toen nam Noach het luik van de ark weg en keek naar buiten, en zie, de aardbodem was opgedroogd.
Genesis 8:14
In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, was de aarde droog geworden.
Genesis 8:15
Toen sprak God tot Noach:
Genesis 8:16
Ga de ark uit, u, uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen met u.
Genesis 8:17
Laat al de dieren die bij u zijn van alle vlees, de vogels, het vee en alle kruipende dieren, die over de aarde kruipen, met u naar buiten gaan, zodat zij zich overvloedig uitbreiden op de aarde en vruchtbaar zijn en talrijk worden op de aarde.
Genesis 8:18
Toen ging Noach naar buiten, en zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen met hem.
Genesis 8:19
Alle dieren, alle kruipende dieren en alle vogels, alles wat zich op de aarde beweegt, overeenkomstig hun soorten, gingen de ark uit.
Genesis 8:20
En Noach bouwde een altaar voor de HEERE; en hij nam van al het reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar.
Genesis 8:21
En de HEERE rook die aangename geur, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer vervloeken vanwege de mens; de gedachtespinsels van het hart van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd af; en Ik zal voortaan niet al het levende meer doden, zoals Ik gedaan heb.
Genesis 8:22
Voortaan, al de dagen van de aarde, zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.
Genesis 9:1
Toen zegende God Noach en zijn zonen en Hij zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde!
Genesis 9:2
Vrees en schrik voor u zal er zijn bij alle dieren van de aarde en bij alle vogels in de lucht, bij alles wat over de aardbodem kruipt en bij alle vissen in de zee; zij zijn in uw hand gegeven.
Genesis 9:3
Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.
Genesis 9:4
Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, er nog in mag u niet eten.
Genesis 9:5
Voorzeker, Ik zal vergelding eisen voor uw bloed, voor uw levens. Van de hand van alle dieren zal Ik vergelding eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van ieders broeder, zal Ik vergelding eisen voor het leven van de mens.
Genesis 9:6
Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt.
Genesis 9:7
Wat u betreft, wees vruchtbaar en word talrijk; breid u overvloedig uit op de aarde, en word talrijk daarop.
Genesis 9:8
En God zei tegen Noach en zijn zonen met hem:
Genesis 9:9
En Ik, zie, Ik maak Mijn verbond met u, met uw nageslacht na u,
Genesis 9:10
en met alle levende wezens die bij u zijn: de vogels, het vee en alle dieren van de aarde met u; van alles wat uit de ark is gegaan, tot alle dieren van de aarde toe.
Genesis 9:11
Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten.
Genesis 9:12
En God zei: Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, alle generaties door tot in eeuwigheid:
Genesis 9:13
Mijn boog heb Ik in de wolken gegeven; die zal dienen als teken van het verbond tussen Mij en de aarde.
Genesis 9:14
Het zal gebeuren, als Ik wolken boven de aarde breng en de boog in de wolken gezien wordt,
Genesis 9:15
dat Ik aan Mijn verbond zal denken, dat er is tussen Mij en u en alle levende wezens van alle vlees. Het water zal niet meer tot een vloed worden om alle vlees te gronde te richten.
Genesis 9:16
Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en denken aan het eeuwig verbond tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is.
Genesis 9:17
God zei dus tegen Noach: Dit is het teken van het verbond dat Ik gemaakt heb tussen Mij en alle vlees dat op de aarde is.
Genesis 9:18
En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, Cham en Jafeth; Cham is de vader van Kanaän.
Genesis 9:19
Deze drie waren de zonen van Noach; en uit hen is heel de aarde bevolkt.
Genesis 9:20
En Noach werd landbouwer en plantte een wijngaard.
Genesis 9:21
Hij dronk van de wijn en werd dronken; en hij ontkleedde zich midden in zijn tent.
Genesis 9:22
En Cham, de vader van Kanaän, zag de naaktheid van zijn vader en vertelde het aan zijn beide broers buiten.
Genesis 9:23
Toen namen Sem en Jafeth een kleed, legden het op hun beider schouders, liepen achteruit en bedekten de naaktheid van hun vader, met het gezicht afgewend, zodat zij de naaktheid van hun vader niet zagen.
Genesis 9:24
Toen ontwaakte Noach uit zijn roes en kwam hij te weten wat zijn jongste zoon hem aangedaan had.
Genesis 9:25
Hij zei: Vervloekt is Kanaän! Laat hij voor zijn broers een dienaar van dienaren zijn!
Genesis 9:26
Ook zei hij: Gezegend is de HEERE, de God van Sem! Laat Kanaän een dienaar voor hem zijn!
Genesis 9:27
Laat God Jafeth uitbreiden en laat hij in de tenten van Sem wonen! En laat Kanaän voor hem een dienaar zijn!
Genesis 9:28
En Noach leefde na de vloed driehonderdvijftig jaar.
Genesis 9:29
Zo waren al de dagen van Noach negenhonderdvijftig jaar; en hij stierf.
V. Afstammelingen van Noachs zonen: 10:1 - 11:9
Genesis 10:1
Dit zijn de afstammelingen van de zonen van Noach, Sem, Cham en Jafeth. Bij hen werden na de vloed zonen geboren.
Genesis 10:2
De zonen van Jafeth zijn: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.
Genesis 10:3
De zonen van Gomer zijn: Askenaz, Rifath en Togarma.
Genesis 10:4
De zonen van Javan zijn: Elisa en Tarsis, de Kittiërs en de Dodanieten.
Genesis 10:5
Van hen stammen de mensen af die zich over de kustlanden van de volken verspreid hebben, in hun landen, elk overeenkomstig zijn taal, overeenkomstig hun geslachten, onder hun volken.
Genesis 10:6
De zonen van Cham zijn: Cusj, Mizraïm, Put en Kanaän.
Genesis 10:7
De zonen van Cusj zijn: Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. De zonen van Raëma zijn: Sjeba en Dedan.
Genesis 10:8
En Cusj verwekte Nimrod; die begon een geweldenaar op de aarde te worden.
Genesis 10:9
Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE; daarom wordt gezegd: Als Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE.
Genesis 10:10
Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.
Genesis 10:11
Uit dit land is Assur weggegaan en hij bouwde Ninevé, Rehoboth-Ir, Kalach
Genesis 10:12
en Resen, tussen Ninevé en Kalach; dat is de grote stad.
Genesis 10:13
Mizraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,
Genesis 10:14
de Pathrusieten, de Kasluchieten — uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn — en de Kaftorieten.
Genesis 10:15
Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, Heth,
Genesis 10:16
en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet,
Genesis 10:17
de Heviet, de Arkiet, de Siniet,
Genesis 10:18
de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet; daarna zijn de geslachten van de Kanaänieten verspreid.
Genesis 10:19
En de grens van de Kanaänieten reikte van Sidon in de richting van Gerar tot aan Gaza, en in de richting van Sodom, Gomorra, Adama en Zeboïm, tot aan Lasa.
Genesis 10:20
Dit waren de zonen van Cham, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.
Genesis 10:21
Ook bij Sem zijn zonen geboren; hij is de voorvader van alle zonen van Heber, en de broer van Jafeth, de oudste.
Genesis 10:22
Sems zonen waren: Elam, Assur, Arfachsad, Lud en Aram.
Genesis 10:23
De zonen van Aram waren: Uz, Hul, Gether en Mas.
Genesis 10:24
Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.
Genesis 10:25
Bij Heber werden twee zonen geboren; de naam van de ene was Peleg, omdat in zijn dagen de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan.
Genesis 10:26
Joktan verwekte Almodad, Selef, Hazarmavet, Jerah,
Genesis 10:27
Hadoram, Uzal, Dikla,
Genesis 10:28
Obal, Abimaël, Sjeba,
Genesis 10:29
Ofir, Havila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan.
Genesis 10:30
Hun woongebied reikte van Mesja tot in de richting van Sefar, het bergland in het oosten.
Genesis 10:31
Dit waren de zonen van Sem, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.
Genesis 10:32
Dit waren de geslachten van de zonen van Noach, ingedeeld naar hun afstamming, met hun volken; van hen stammen de volken af die zich na de vloed over de aarde hebben verspreid.
Genesis 11:1
Heel de aarde had één taal en eendere woorden.
Genesis 11:2
En het gebeurde, toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.
Genesis 11:3
En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.
Genesis 11:4
En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen, en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!
Genesis 11:5
Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,
Genesis 11:6
en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.
Genesis 11:7
Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.
Genesis 11:8
Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.
Genesis 11:9
Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.
VI. Afstammelingen van Sem: 11:10-26
Genesis 11:10
Dit zijn de afstammelingen van Sem: Sem was honderd jaar oud, toen hij Arfachsad verwekte, twee jaar na de vloed.
Genesis 11:11
Sem leefde, nadat hij Arfachsad verwekt had, vijfhonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 11:12
Arfachsad had vijfendertig jaar geleefd, toen hij Selah verwekte.
Genesis 11:13
Arfachsad leefde, nadat hij Selah verwekt had, vierhonderddrie jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 11:14
Selah had dertig jaar geleefd, toen hij Heber verwekte.
Genesis 11:15
Selah leefde, nadat hij Heber verwekt had, vierhonderddrie jaar, en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 11:16
Heber had vierendertig jaar geleefd, toen hij Peleg verwekte.
Genesis 11:17
Heber leefde, nadat hij Peleg verwekt had, vierhonderddertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 11:18
Peleg had dertig jaar geleefd, toen hij Rehu verwekte.
Genesis 11:19
Peleg leefde, nadat hij Rehu verwekt had, tweehonderdnegen jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 11:20
Rehu had tweeëndertig jaar geleefd, toen hij Serug verwekte.
Genesis 11:21
Rehu leefde, nadat hij Serug verwekt had, tweehonderdzeven jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 11:22
Serug had dertig jaar geleefd, toen hij Nahor verwekte.
Genesis 11:23
Serug leefde, nadat hij Nahor verwekt had, tweehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 11:24
Nahor had negenentwintig jaar geleefd, toen hij Terah verwekte.
Genesis 11:25
Nahor leefde, nadat hij Terah verwekt had, honderdnegentien jaar; en hij verwekte zonen en dochters.
Genesis 11:26
Terah had zeventig jaar geleefd, toen hij Abram, Nahor en Haran verwekte.
Genesis 11:27
Dit zijn de afstammelingen van Terah: Terah verwekte Abram, Nahor en Haran; en Haran verwekte Lot.
Genesis 11:28
Haran stierf tijdens het leven van zijn vader Terah, in zijn geboorteland, in Ur van de Chaldeeën.
Genesis 11:29
En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams vrouw was Sarai, en de naam van Nahors vrouw was Milka, een dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska.
Genesis 11:30
Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kind.
Genesis 11:31
En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, zijn kleinzoon, de zoon van Haran, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram, en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen tot Haran en bleven daar wonen.
Genesis 11:32
De dagen nu van Terah waren tweehonderdvijf jaar, en Terah stierf in Haran.